Ds. Van den Berg

HERINNERINGEN AAN DS. P.J.W. VAN DEN  BERG

Door G. Veld

Deel 1

 

Ik vind al geruime tijd dat in Diekpraot aandacht geschonken moet worden aan Dominee Van den Berg. Hij is bijna een halve eeuw (1904-1946) predikant in Nijeveen geweest, van de Ned. Herv. Kerk en heeft een groot stempel op het dorp gedrukt, zoals nog altijd te merken is, als je met oudere mensen over hem praat. Ik acht mijzelf eigenlijk niet zo geschikt om over hem te schrijven, omdat ik nog een kind was, toen hij afscheid nam als predikant. Ik heb hem nooit horen preken. Maar mijn moeder had heel veel herinneringen aan Dominee Van den Berg, en sprak veel over hem. Voor mijn moeder heeft er eigenlijk maar één dominee bestaan en dat was Dominee Van den Berg. Mijn moeder was geboren in 1904 en was één der eerste kinderen die door hem gedoopt werden.

Als je met oudere mensen over dominee Van den Berg praat, valt het op dat er zoveel anekdotes over hem de ronde doen. Ik denk dat dat te maken heeft met het feit, dat Dominee Van den Berg en zijn vrouw uit heel andere kringen en een andere cultuur kwamen dan de Nijeveners en dat deze confrontatie humoristische momenten opleverde. Mevrouw Van den Berg was geboren in Indië en had zelfs Indisch bloed in de aderen (zie voetnoot). Zij was dus al enigszins vreemd in Nederland en al helemaal in een Drents dorp als Nijeveen. Ze was totaal onkundig van het leven der mensen in het dorp, hoewel dat later wel verbeterde.

 

Dominee Van den Berg deed in 1904 in Nijeveen zijn intrede als  predikant. Mijn overgrootvader Albert Nijmeijer, die woonde in de huidige boerderij van mijn broer en ik, was toen lid van de kerkenraad.

Het was toen gebruikelijk, dat de vrouw van de predikant kennis ging maken met de echtgenotes van de kerkenraadsleden. Zo vereerde Mevrouw Van den Berg ook mijn overgrootmoeder Jantje Nijmeijer-Soeten met een bezoek. Bij die gelegenheid liet mijn overgrootmoeder Mevrouw Van den Berg het huis zien. Ons huis had toen nog een z.g. melkenkamer, inmiddels verbouwd tot badruimte. In die melkenkamer werd vóór de komst van de zuivelfabriek de melk van de koeien uitgegoten in ronde koperen vaten. Die vaten doen momenteel dienst als krantenbak en als plantenbakken. Die melkenkamer moest koel gehouden worden, zodat de room boven kwam drijven. De room werd er afgeschept en vervolgens tot boter gekarnd door middel van de karnmolen. Zoals gezegd gebeurde het zo vóór de komst van de zuivelfabriek en had deze kamer in 1904 eigenlijk al zijn functie verloren. Hij werd echter nog wel altijd als zodanig aangeduid. Toen mijn overgrootmoeder mevrouw Van den Berg het huis liet zien, zei ze zonder erg: " Kijk dit is de melkenkamer." Mevrouw Van den Berg , die dit niets zei, vroeg echter niet nader, waarschijnlijk omdat ze toch al zo veel voor haar onbegrijpelijke dingen zag en eigenlijk alles vreemd vond. Ze kwam thuis en zet tegen haar man: " O Piet, ik ben bij mevrouw Nijmeijer geweest en ze heeft mij het hele huis laten zien. En ze zijn daar heel schoon, hoor Piet, want de koeien worden er zelfs in de kamer gemolken."

Dominee Van den Berg heeft altijd een sterk wetenschappelijke interesse gehad, eerst vooral op theologisch gebied, en later meer op andere gebieden , zoals geschiedenis, sociologie, kunstgeschiedenis, literatuur en dergelijke. Ook was hij een verwoed tuinier.

Op 11 november 1914, hij was toen 34 jaar en 10 jaar predikant in Nijeveen, promoveerde hij aan de Rijksuniversiteit te Utrecht tot doctor in de theologie op het proefschrift: " De viering van den Zondag en de Feestdagen in Nederland voor de Hervorming".

Ik ben in het gelukkige bezit van dit proefschrift, omdat mijn overgrootvader Albert Nijmeijer toen presidentkerkvoogd was en een presentexemplaar kreeg, evenals de andere kerkenraadsleden. Ik denk niet dat mijn overgrootvader dit proefschrift gelezen heeft, evenmin als de andere kerkenraadsleden. Het is geen eenvoudige kost, hoewel zeer interessant. Ik heb het doorgeworsteld en vond het achteraf zeer de moeite waard. Waar dominee Van den Berg telkens weer de nadruk op legt, ook in de stellingen, is het feit, dat voor de viering van de Zondag op de eerste dag der week, geen enkele aansluiting in de Bijbel is te vinden. De Sabbat werd door de Joden op de zevende dag der week, de zaterdag, gevierd. Pas in 321 na Christus wordt door keizer Constantijn de Grote bepaald, dat de viering van de Zondag, als opvolger van de Sabbat, op de eerste dag der week zal plaatsvinden.

Wie en wat voor mensen waren nu eigenlijk Dominee Van den Berg en zijn vrouw?

Als kind zie ik ze nog beiden over de Dorpsstraat lopen, want ze gingen vaak een wandeling doen. Twee keurig geklede mensen, dominee met een hoed op, een regenjas en een wandelstok, mevrouw in een bondjas en een hoed met een voile ervoor, echt een heer en een dame . Ze waren allebei zeer vriendelijk, dominee beantwoordde elke groet met een vriendelijke tegengroet en een vriendelijk woord, terwijl mevrouw wat afwezig knikte, want ze werd op oudere leeftijd wat absent, zoals dat toen netjes heette. Eerlijk gezegd was ik ook wel een beetje bang voor dominee Van den Berg, want hij zag er in mijn ogen een beetje angstaanjagend uit: een heel magere man met twee grote bewegelijke rusteloze ogen - het leek een beetje of hij voortdurend achter zijn eigen gedachten aanholde - en hij sprak vlug en iets gejaagd.

Tante Annegien naast ons, die uit Havelte kwam,, zei altijd: " Wat kek die keerl oe toch vliegerig an !"

Ds. Pieter Willem Johannes Van den Berg werd in 1880 geboren in Langerak in Zuid-Holland, waar zijn vader ook predikant was. Hij kwam op 23 jarige leeftijdnaar Nijeveen, zijn eerste en meteen zijn laatste standplaats. Hij was toen pas getrouwd met Castilia Schröder - in de wandeling Cas genoemd - die uit Londen kwam, waar haar vader bankier was. Mevrouw Van den Berg had onmiskenbaar Indisch bloed in zich. Zoals alle vrouwen met tropisch bloed was mevrouw donker van haar met een ietwat gelige huidskleur en vormde zich met de jaren op haar bovenlip een zwart donslaagje, dat nogal toenam. Mijn moeder zei altijd: "Mevrouw had een klein snorretje en dat stond haar zo goed." In de ogen van mijn moeder was dat één van de grootste schoonheden van mevrouw.

Dominee Van den Berg was, zoals gezegd, een nogal snelle en ietwat gejaagde man.

Dat uitte zich ook in zijn manier van spreken. Hij sprak zo snel, dat de kerkdiensten na drie kwartier al afgelopen waren en de mensen weer buiten stonden. Bovendien werden de kerkmensen, die toen meestal nog naar de kerk en weer terug liepen, vaak van de weg getoeterd door dominee zelf , die als één der eersten in Nijeveen een auto had en zo snel mogelijk met zijn gezin naar Hoek van Holland wilde om de boot naar Engeland te halen, waar ze vaak een week bij de ouders van mevrouw in Londen doorbrachten. Dat was in die tijd nogal ongebruikelijk voor een predikant en al met al vonden de mensen uit de naburige dorpen hem een ietwat rare dominee. Maar de Nijeveners waren er aan gewend en konden van dominee Piet - zoals hij vaak liefkozend werd genoemd - geen kwaad woord horen.

Want dominee Piet en zijn vrouw waren toch wel vriendelijke mensen en raakten op de duur echt verweven met het dorp.

(Noot: Kleindochter Eleonora van den Berg laat vanuit Bali weten dat haar grootmoeder Casatalie Schroeder niet uit Indië kwam, maar van Java.)

 

 

HERINNERINGEN AAN DS. P.J.W. VAN DEN  BERG

Door G. Veld

Deel 2

 

Ik heb toch wel de indruk dat de inburgering- om maar eens een eigentijds woord te gebruiken- van dominee sneller verliep dan die van mevrouw. Dominee of  domeneer, zoals hij meestal genoemd werd, kende al spoedig iedereen bij zijn voornaam. Mevrouw ging weleens in eigen persoon boodschappen doen- meestal deed de dienstbode dat- maar wist nooit waar ze die moest halen en vroeg dat eerst aan haar man.

" O ", zei dominee dan, " haal dat maar bij Tieme.”

Tieme was Tieme Oort, die de winkel had ten Oosten van de spoorlijn, ongeveer waar nu het huis van de familie Dons staat en later aan de Molenweg en nog weer later met name zijn schoonzoon, Appie Brug, aan de Dorpsstraat, de huidige C1000. Tieme Oort werkte daarnaast aan de zuivelfabriek en de winkel werd voornamelijk gedreven door zijn vrouw, Henderkien van Tieme Oort. Mevrouw, die van dit alles onkundig was en niet wist  wat voor- of achternaam was, maar wel de naam Tieme kende, ging dan naar de winkel en zei tegen de verbouwereerde Henderkien: " Dag vrouw Tieme, hebt u ook (dat of dat) vrouw Tieme ? " En bij het afscheid: " Tot ziens vrouw Tieme”

Mevrouw V.d. Berg was door haar Indische oorsprong wat passief, ze was waarschijnlijk altijd omringd geweest door baboes en andere bedienden. Als de dominee en mevrouw op huisbezoek kwamen ging het al gauw van:

" Pie- iet, waar is mijn zakdoek toch? "

" In je tasje, Cas”, antwoordde dominee.

" Waar is mijn tasje dan, Piet ? "

" Naast je stoel, Cas! "

Mijn moeder vertelde, dat het één keer is voorgekomen, dat mevrouw vervolgens vroeg: " Aan welke kant van mijn stoel dan, Piet ? "

Zo passief als mevrouw was, zo actief was dominee. Niet dat hij veel tijd stak in zijn ambt van predikant, hij bewoog zich voornamelijk op andere terreinen, hij was meer wetenschapsmens dan zielenherder en soms gaf dit wrijvingen met de kerkeraad.

Het was ook één van de redenen, dat hij vrijwel geen beroep kreeg van een andere gemeente, althans in het begin niet. Later werd dat wel anders, maar toen wees hijzelf die beroepen af. Mijn moeder zei altijd: "In het begin kon hij niet weg, en later wilde hij niet meer weg”. Hij had het toen uitstekend naar de zin in Nijeveen: een vrij kleine gemeente, zodat hij veel tijd had voor zijn interesses en hobby’s. En dat waren er zeer velen! Ook de gemeente schikte zich daarin. Dominee hield zondagsmorgens een vrij korte preek, zodat de mensen na  ± drie kwartier weer buiten stonden, temeer omdat hij snel sprak. Ik denk dat de meeste mensen meer te lijden hebben gehad van een te lange preek, dan van een te korte preek, zodat één en ander met wederzijds genoegen plaatsvond. Hij bracht ook wel huisbezoeken, maar dan had hij meestal meer belangstelling voor oude kabinetten, oud aardewerk en voor de architectuur van een oude boerderij, over welke zaken hij uitvoerig van gedachten wisselde met zijn gemeenteleden. In de twintiger jaren van de vorige eeuw trad ook in Nijeveen een moderniseringsdrift op, waardoor vele oude boerderijen werden  afgebroken of in ieder geval grondig werden verbouwd en gemoderniseerd. Dominee v. d. Berg wond zich vreselijk hierover op en zei dan menigmaal: " Wat zonde! Hier wordt onherstelbare schade toegebracht, men krijgt daar later spijt van. In ieder geval de na ons komende generaties.” Hij ageerde hier tegen en is daarom van groot belang geweest voor historisch Nijeveen. Als hij bij mijn familie een bezoek had gebracht, zei hij bij het weggaan altijd tegen mijn moeder: " Denk erom Lena, het voorhuis niet afbreken en vervangen door een modern, het is mooi zoals het is.”

Mijn moeder was een trouw discipel van hem en heeft deze raad altijd ter harte genomen. Dominee v. d. Berg was erg veelzijdig in zijn interesses. Deze strekten zich uit op velerlei gebied, met name over de kennis van het platteland en zijn structuren. In 1935 publiceerde hij " Een goede buur” over burenplichten en de functie van buren bij begrafenissen, geboorten e.d. In 1941 verscheen " Het karakter der plattelandssamenleving”, waarin op de voorpagina het kerkje van Nijeveen staat afgebeeld. Beide boeken zijn aanwezig in de Universiteitsbibliotheek te Groningen –daarom heb ik ze gelezen- en worden nog steeds gebruikt door studenten in de sociologie.

Hij publiceerde verder veel in diverse tijdschriften, o.a. in "Mens en Maatschappij”, " Volk van Nederland”, in de nieuwe Drentse volksalmanak en in het maandblad "Drenthe”.

Vanaf 1922 tot 1952 was hij zelfs mederedacteur van de Nieuwe Drentse Volksalmanak  en vanaf 1920 lid van de commissie van bestuur van het Provinciaal Museum te Assen. Hij is een tijdje voorzitter van de Stichting Volkshogescholen in Nederland geweest en gaf hieraan cursussen, evenals aan de Volksuniversiteit te Groningen. Uit het vorenstaande blijkt wel, dat Dominee v. d. Berg een grote liefde koesterde voor Drenthe. Hij maakte vele reizen en was als reisleider verbonden aan de Ned. Chr. Reisvereniging. Dit zorgde ook wel voor complicaties, want het is één keer voorgekomen, dat hij vergeten had door te geven, dat hij zondags niet kon preken, omdat hij op reis was. De gemeente zat in de kerk en de organist speelde steeds weer nieuwe psalmen en gezangen in afwachting van de komst van de dominee. Maar ja, men kan niet door blijven zingen en zo ging men onverrichter zaken weer naar huis. Dit kwam hem wel op een ernstige vermaning van de kerkeraad te staan. Op één terrein in zijn pastorale werk was dominee v. d. Berg geweldig goed en dat was in zijn contacten met de jeugd, met de leden van de Jongeling- en Meisjesverenigingen van de kerk, met catechisanten en groepen nieuwe lidmaten. Hij maakte met hen talloze reisjes per bus en trein en ook fietstochten. Deze uitstapjes hadden een zeer leerzaam karakter. Er werden kastelen, oude kerken e.d. bekeken en dominee v. d. Berg werd nooit moe om telkens weer op bouwstijlen, op details van versierwerk en op de geschiedenis van één en ander te wijzen. Mijn moeder zei altijd: " Lezen, schrijven, rekenen hebben we op school geleerd, maar de dingen die belangrijk zijn en er toe doen in het leven, leerden we van dominee v. d. Berg”.

Beroemd waren ook zijn diensten op zondagavonden in de winter in het hervormd jeugdgebouw. Je kon het nauwelijks kerkdiensten noemen, want dominee v. d. Berg vertelde dan o.a. over het dagelijks leven in Palestina, zowel ten tijde van het leven van Jezus als heden ten dage. Zelfs mensen uit Meppel kwamen naar deze diensten. Je kunt zeggen dat dominee v. d. Berg voor de mensen uit Nijeveen een venster op de wereld opende.

Dominee v. d. Berg was ook een verwoed tuinierder. Bekend waren zijn prachtige rozen en zijn boomgaard, waarin hij de heerlijkste appels en peren kweekte. Dit wekte de hebzucht op van de opgeschoten dorpsjeugd, de diekjongens. Ze probeerden vaak wat appels of peren weg te nemen, zelfs via het kelderraam. Op een gegeven moment kwamen ze op het lumineuze idee om appels te stelen op zondagmorgen, en wel tijdens de kerkdienst, omdat dominee dan op de kansel stond en niets zou merken. Maar dominee zag vanaf de preekstoel door het zijraam de jongens in de appelhof, beëindigde snel de preek, gaf de verblufte gemeente de zegen en ijlde de kerk uit om de dieven uit zijn appelhof te verjagen. Die zondag duurde de kerkdienst wel extra kort.

De zegen geven, met gespreide armen was voor dominee v. d. Berg een ingewikkelde opgaaf. Hij had namelijk een verlamde linker arm, die hij had overgehouden van –naar ik meen te weten- kinderverlamming. Hij wist echter geweldig met deze handicap om te gaan. Als hij aan het eind van de dienst de zegen moest geven, gaf hij met de rechter hand een flinke klap onder de linkerarm, zodat deze bleef staan en spreidde dan zijn rechterarm. Dit wist hij zo vliegensvlug voor elkaar te krijgen dat vreemden het praktisch niet opmerkten. Alleen de Nijeveners wisten ervan, aldus mijn moeder.

Dominee v. d. Berg had ook een grote voorliefde voor kippen en had een toom van enige fraaie exemplaren. De kippen droegen toen nog poëtische namen als Wijandottes, Susex, Rode Islanders, Barnevelders enz. Ze waren meestal bruin, wit of grijs maar nooit blauw. De liefste wens van dominee was om via de kruisingen, waar hij in persoon druk mee bezig was, ooit nog eens blauwe kippen te krijgen, maar het wou niet lukken. Meer genoemde diekjongens kregen weer een lumineus idee: op een nacht braken ze in in dominees kippenhok met een pot blauwe verf en verfden alle kippen blauw. Hoe dominee reageerde toen hij de volgende ochtend bij zijn kippen kwam, vermeldt de historie niet: misschien heeft hij wel gedacht dat zijn gebed verhoord was.

De jeugd haalde wel meer grapjes uit met de dominee. Dit leidde nooit tot problemen, omdat dominee het hardst lachte om deze kleine plagerijtjes. Hij had de gewoonte om tijdens de catechisatie zijn hoed op te hangen aan de grote sleutel van de wandkast. Als hij klaar was met de catechisatie, greep hij bliksemsnel zijn hoed en ijlde het jeugdgebouw uit, want hij had het altijd druk. Op zekere avond had iemand die hoed vastgespijkerd en het resultaat liet zich raden: haastig als altijd, greep dominee snel de hoed en…. scheurde hem meteen aan flarden. Vrolijkheid alom en zeker niet in het minst bij dominee zelf, die genoot van zulke grappen want hij had naar mijn moeder altijd zei, zeker zijn frivole kanten.

Hij was non-conformistisch en droeg zomers vaak een korte broek, wat toen niemand deed: als jongen kreeg je ongeveer op je twaalfde je lange broek en de korte kwam niet meer aan. In die korte broek deed hij ook boodschappen in Meppel en als hij dan in een winkel moest wachten, zong hij zacht voor zich uit "Landru was een vrouwenmoordenaar”. Landru was in die tijd een beruchte lustmoordenaar.

 "Vreselijk en dat voor een predikant, en dan ook nog in korte broek”, verzuchtte een winkelierster uit Meppel eens tegen mijn moeder.

Die frivole en non-conformistische kanten uitten zich ook in zijn gezin. Dominee en mevrouw Van den Berg hadden drie kinderen: de dochter Hannie als oudste en twee zoons Dolf en Jens. Deze kinderen gedroegen zich allerminst als domineeskinderen. Hannie heeft drie mannen gehad, weliswaar niet alle drie tegelijk, maar na elkaar en alle huwelijken eindigden door echtscheiding, wat –zeker in die tijd- weinig degelijk stond voor een dochter van de dominee. Er was nog een zoontje, Mari Eli, maar deze is jong gestorven en ligt begraven op het kerkhof achter de kerk. Hannie kwam later, in de zeventiger jaren, nog wel eens in Nijeveen, maar de beide zoons, waarvan men zei, dat ze een turbulent leven leidden, zag men na hun vertrek nooit meer in Nijeveen terug.

Wanneer ik de persoon en het leven van Dominee v. d. Berg  nader bekijk, valt mij op, hoezeer deze beheerst worden door tegenstellingen. Hoewel dominee en mevrouw aan de ene kant erg eigen waren met het dorp en de Nijeveners – ze kenden alle familieverhoudingen en noemde de meeste Nijeveners bij hun voornamen – bleven ze aan de andere kant ook enigszins deftige vreemden. Ze bemoeiden zich weinig met het dorp buiten het kerkelijk leven om en hadden er weinig echte vrienden. Ze gingen bij mijn weten alleen maar om met de huisarts, dr. Hornstra, en sporadisch met de burgemeester. Ze waren veel weg en als ze in Nijeveen waren, zat de dominee meestal op zijn studeerkamer te werken aan allerlei artikelen. Mevrouw zat meestal in de serre, die aan de voorkant van de pastorie was gebouwd, te haken of te borduren, maar altijd met de rug naar de dorpsstraat toegekeerd. Toen de oude boerderij van de familie Bakker, die stond op de plek waar nu de familie Schuurman woont, afbrandde en de gehele buurt alsmede het halve dorp in rep en roer was, was mevrouw van den Berg de enige die niets van de gehele brand gemerkt had. Ze woonde er bijna naast, maar zat er met de rug naartoe!

Mevrouw had zelfs een tijdje een gezelschapsdame, een Duitse, die daarom fraulein (juffrouw) genoemd werd en die haar voorlas tijdens het haken en borduren. Op een gegeven moment deed het gerucht de ronde, dat deze gezelschapsdame niet zozeer mevrouw, maar meer de dominee gezelschap hield. Wat ervan waar was, is nooit bekend geworden. Wel vond de kerkeraad dat ze zich ermee moest bemoeien. Feit is, dat fraulein verdween, en er geen nieuwe fraulein kwam. Zo was Dominee v. d. Berg een kenner van het dorp, van de plattelandssamenleving en van Drenthe, maar aan de andere kant deed hij niets liever dan reizen en probeerde juist de dorpsjeugd kennis bij te brengen over andere landen, andere volken en over de historische steden in Nederland.

Wat mij nog het meest gefrappeerd heeft, is het feit, dat hij in 1946 na zijn emiritaat meteen het dorp verlaten heeft en nadien nog maar sporadisch in Nijeveen geweest is. Ze gingen na 42 jaar in het kleinste dorp van Drente gewoond te hebben, wonen in de grootste stad van Nederland, in Amsterdam. Ik denk, dat dominee v. d. Berg graag dichtbij een universiteit wilde wonen in verband met zijn studies en daarom wilde wonen in een plaats, die verder ook veel mogelijkheden bood. Overigens hebben ze niet lang in Amsterdam gewoond, ze gingen daarna naar Brummen, waar dominee in mei 1952 overleed. Mevrouw heeft daarna nog enkele jaren in een pension in Zwolle gewoond waar ze in 1957 door een ongeval - gasverstikking - om het leven is gekomen.

Ze is gestorven zoals ze geleefd heeft, de dingen rustig over zich heen laten komend en onbewust van wat zich buiten haar om speelde. Talloze zijn de verhalen en anekdotes die oudere Nijeveners hebben over hun dominee en zijn vrouw. Misschien zijn onder de lezers van Diekpraot nog mensen die persoonlijke en leuke herinneringen hebben aan deze twee mensen. Het zou leuk zijn, wanneer deze vermeld werden in Diekpraot. Ikzelf heb met enkele oudere mensen over dominee en mevrouw gepraat, onder anderen nog met Aaltje Kooiker-Groen, vlak voor haar overlijden. Het viel mij op, dat zij evenals vele anderen met warmte en sympathie over hen spraken en dat zij zich ervan bewust waren, dat zij veel van dominee v. d. Berg geleerd hadden en dat hij een belangrijk figuur voor het dorp is geweest. Om dit te illustreren wil ik eindigen met de navolgende passage uit het in memoriam die de toenmalige commissaris van de Koningin in Drente, Mr. J. Linthorst Homan, schreef in de Drentse volksalmanak na het overlijden van Dominee v. d. Berg:

" Bij dr. van den Berg geen spoor van bekrompenheid, geen gerichtheid op de toren van het eigen dorp in de negatieve zin van de blinde negatie van de wijde wereld, doch wel in positieve zin van de kerk in het dorp en van dat dorp in de wereld rondom, wijd, zeer wijd”.

 

Gerrit Veld

Powered by webXpress