Molen Kolderveen

 

 

DE MOLEN VAN KOLDERVEEN

Door K. Thomas.

Deel 1

 

Inleiding

Molens waren een paar honderd jaar geleden al een vanzelfsprekende blikvanger in en rond vrijwel alle dorpen in Drenthe. Ze speelden een cruciale rol bij allerlei vormen van nijverheid. Overal waar aan landbouw werd gedaan was er al snel eentje nodig om graan te malen, gerst te pellen, olie uit zaden te persen dan wel schors te runnen of te helpen bij het zagen van hout of het leegpompen van polders.

Op een oude kaart uit het jaar 1642 (zie fig. 1) blijkt dat aan de dijk tussen Wanneperveen en Nijeveen in die tijd zelfs vier molens moeten hebben gestaan: twee in Dinxterveen (één aan de noordzijde van de Dijk en één bij de kolk) en twee ten zuiden van de Dijk ter hoogte van Kolderveen. Rond het jaar 1850 was daar nog maar eentje van over en tijdens een brand in 1852 brandde de laatste molen tot de grond toe af om vervolgens nooit meer te worden opgebouwd.

Daarna werd in 1853 wel in Nijeveen een molen gebouwd, toen er vergunning werd verleend aan Jacob Bakker voor de bouw van een wind koren- en pelmolen die er tot 1933 aan de Grift heeft gestaan. Sinds 1977 staat er in Nijeveen opnieuw een molen: de Sterrenberg, maar die komt oorspronkelijk uit Duitsland, zo is in het verleden al uitgebreid in de Diekpraot verteld.

 

Het nu volgende verhaal gaat over de laatste molen van Kolderveen die lange tijd, en wellicht in verschillende versies, vanaf ongeveer 1600 tot in 1852 stond aan de Kolderveense Oostergrift. Weinig is over de laatste Kolderveense molen bekend gebleven, maar tijdens mijn eigen naspeuringen in de archieven rond mijn familie die rond 1800 aan de Kolderveense Dijk woonde, kwam ik toch steeds weer nieuwe feitjes tegen die iets over de geschiedenis van deze molen vertellen. Hoewel er nog steeds onbeantwoorde vragen zijn, vind ik het toch leuk om een deel van de stoflaag rond de molen weg te blazen en hem voor de lezers van de Diekpraot opnieuw enigszins zichtbaar te maken.


De kaart van Nicolaas ten Have uit 1642

De kaart van ten Have is zo oud, dat de Kolderveense- en Nijeveense Bovenboer nog helemaal niet bestonden toen hij werd gemaakt. Op de plaats waar ze later zouden ontstaan zien we op de kaart nog een ruig gebied dat zojuist wordt ontsloten door een aantal Griften, vanuit het zuiden zowel als het noorden. We staan nog maar aan de vooravond van de grootschalige vervening.

 



Fig. 1. Het gebied ten noordwesten van Meppel in 1642.

Uitsnede uit een kaart van Nicolaas ten Have.



De Kolderveense Westergrift werd toen blijkbaar de “Tys Sloot” genoemd. De kerk van Kolderveen staat op het oude kaartje ingetekend ten oosten van deze Tys Sloot en ten oosten van de kerk zien we dat ten Have een molen heeft ingetekend, ten westen van wat vermoedelijk later de Kolderveense Oostergrift was. Tussen de Oostergrift en de Nijeveense Grift staat ook een molen ingetekend. De huidige weg tussen Nijeveen en Meppel bestond toen nog niet: Nijeveen was volgens het kaartje van Ten Have met Meppel verbonden via een weg die ten westen van de Nijeveense Grift moet hebben gelegen ongeveer vanaf waar nu de Hervormde kerk staat. De toenmalige predikant schijnt er zelfs het tolrecht over te hebben gehad: per paard 1 stuiver, per koe ½ stuiver en per schaap of varken ¼ stuiver.

 

Nu kun je twijfels hebben over hoe nauwkeurig de kaart van Ten Have nu eigenlijk was. Zo is de kerk in Nijeveen afgebeeld ten noorden van de Dijk. Ook schijnt men tijdens werkzaamheden vroeger in de buurt van de Zuivelfabriek in Kolderveen, dus aan de noordkant van de Dijk, al eens op fundamenten van een molen te zijn gestuit. Zeker is het echter toch wel dat het dorp Kolderveen in 1642 drie molens rijk was (als je die bij de Kolk meetelt) terwijl Nijeveen het toen nog geheel zonder moest doen. Dit blijkt ook uit oude documenten. Uit de oude Statenarchieven (OSA, nr. 841), aanwezig in het Drents Archief in Assen blijkt namelijk dat in het jaar 1630 in Kolderveen sprake is van “die middelste meule” naast “d’ oostermeule op Colderveen”. De westermolen zou dan de molen bij de Kolk kunnen zijn geweest.

Vanaf ongeveer 1700 is er alleen nog maar sprake van de oostermolen: over het lot van de andere twee molens is mij verder niets bekend. Ze komen later ook niet meer in de archieven voor.


De molen van de familie Mulder

In het Drents Archief zijn over de oostermolen nog wel wat zaken te vinden. Wie was er vroeger eigenaar van deze molen? In het jaar 1704 blijkt dat een zekere Coop Arents Mulder te zijn geweest. In dat jaar namelijk koopt hij een kwart van “de” Kolderveense molen (de andere ¾ was al eerder in zijn bezit). In het betreffende document is sprake van het met de koop mede verwerven van het “recht van wind” van de afgebroken middelste molen. Dat moet dan wel een molen ten westen van de Kolderveense Oostergrift zijn geweest, dicht bij de kerk, of de molen waarvan mogelijk de resten zijn gevonden bij de zuivelfabriek. Kennelijk werd de molen van Coop Mulder toen niet zo erg hoog ingeschat, want er staat bij dat hij in 1695 en in 1704 met bijbehorend huis en land voor een gering bedrag van eigenaar was gewisseld.

De geschiedenis van de molen van Kolderveen is vanaf 1704 nog meer dan een eeuw hand in hand gegaan met de familie Mulder. Zoals hierboven aangegeven kwam nu ruim driehonderd jaar geleden de molen volledig in het bezit van Coop Arends Mulder. Vóór 1738 heeft hij de molen overgedragen aan zijn zoon Arend Coops Mulder, die is geboren in 1694. Molenaar Arend koopt in 1738 namelijk van Thijs Thysen (waarschijnlijk dus een zoon of kleinzoon van de naamgever van de Tys sloot) nog een extra stuk grond bij de molen te Kolderveen.

Arend wordt in het haardstedengeldregister van 1754 aangeduid als “keuter en mulder”. Hij is in 1721 getrouwd en in 1728 is een zoon geboren die dezelfde naam krijgt als zijn grootvader en als “Koop Arends Mulder” door het leven zal gaan. Deze Koop Arends Mulder is volgens gegevens van de gewapende burgerwacht (OSA, Inv. nr. 1383) in 1798 molenaar van beroep. In één van de eerste akten van de burgerlijke stand van Nijeveen is in het jaar 1813 zijn overlijdensakte bekend. Hij is dus 85 jaar oud geworden.

 

Koop had in ieder geval twee zoons, van wie Hendrik Koops Mulder (1758-1843) ook het beroep molenaar heeft gehad. Zijn jongere broer Arend, bij leven grutter in Kolderveen, is in 1807 op 48-jarige leeftijd overleden.

Hendrik woonde in 1797 op hetzelfde adres als zijn toen 70 jaar oude vader, aan het begin van de Kolderveense Dijk. Het is dus aannemelijk dat hij op dat moment de bedrijfsvoering deed. De burgerlijke stand gegevens leren ons dat hij aanvankelijk was gehuwd met Geertje Kiers (1753-1826). In 1827 hertrouwde hij op 69-jarige leeftijd met de 31 jaar oude Geesje Jans Gritters (1797-1847). Uit het huwelijk met Geesje Kiers is één dochter bekend: die echter jong is overleden. Het tweede huwelijk bleef kinderloos, zodat de molen uiteindelijk na zeker vier generaties niet in de familie Mulder kon blijven. Hendrik overleed in het jaar 1843 maar heeft vele jaren eerder de molen al verkocht.

 

Wordt vervolgd.

 

K. Thomas.

 

 

 

 MOLEN VAN KOLDERVEEN

Door K.Thomas.

Deel 2

 

De kadasterkaart van 1832

Een belangrijke bron van informatie is het kadaster, dat in 1832 een gedetailleerde kaart heeft vervaardigd en daaraan gekoppeld van elk kavel de eigenaar, afmetingen en het grondgebruik heeft genoteerd. Op deze kaart staat de molen getekend op Kavel E67, aan de oostkant van de Oostergrift en zeker 100 meter ten zuiden van de Kolderveense Dijk.



Fig 2. Kadasterkaart uit 1832 waarop (rechts) de molen staat aangegeven.Links, van boven naar beneden loopt de Dijk (boven is oost), die wordt doorsneden door de Kolderveense Oostergrift.



Fig. 2a. Detail uit de kadasterkaart


Kavel E67 wordt in 1832 door het kadaster omschreven als “molen en erf”, 13 roeden en 10 ellen groot, en in eigendom bij molenaar Jan Gold. De tekenaar heeft de molen duidelijk aangegeven als een achthoek (zie fig. 2a), maar dat zegt op zich niet zo veel over het verdere uiterlijk van de molen. Zo kan het een hoge stellingmolen zijn geweest, maar meer voor de hand ligt dat het ging om een zogenaamde “grondzeiler”, een type molen waarvan de wieken bijna de grond raakten (zie fig. 3) en die in de omgeving veel voor kwam. Een stellingmolen werd namelijk altijd daar gebouwd waar zich hoge bomen en gebouwen in de omgeving bevonden die de windvang belemmerden. De Kolderveense molen stond echter juist opvallend ver van de Dijk, midden in het weiland en kon daardoor waarschijnlijk vol profiteren van de in Nederland voornamelijk zuidelijke en westelijke winden. Anno 2008 staan we op dezelfde plek midden in een weiland ten zuidwesten van de camping achter de boerderij van Schrotenboer.



Fig 3: “Molens bij Giethoorn”, geschilderd rond 1883 door Willem Bastiaan Tholen.

Sfeerbeeld met grondzeilers, dat heel goed kan passen bij de verdwenen molen(s) van Kolderveen.


 De molen heeft ongetwijfeld op een verhoging met een stevige ondergrond gestaan, omringd door drassige grond, want uit de schadelijsten blijkt dat hij de overstroming in het jaar 1825 goed heeft weerstaan.

Uit de detailkaart van 1832 blijkt verder dat er destijds geen weg of pad liep tussen de molen en de Kolderveense Dijk. De vraag rijst dan hoe de bedrijfsvoering verliep. Het lijkt erop dat alle goederen over het water via de Oostergrift werden aan- en afgevoerd. Een niet onbekende gang van zaken overigens destijds: van korenmolen “de Zwaluw” in Hoogeveen is, bijvoorbeeld, bekend dat pramen vroeger via een molengat, verbonden met het kanaal, rechtstreeks de molen in konden varen om aldaar met behulp van touwen gelost te kunnen worden. Figuur 2a lijkt echter aan te geven dat de molen van Kolderveen geen molengat heeft gehad, wat suggereert dat de schepen aan een kade werden gelost. Maar het schilderij van Tholen toont op de voorgrond weer een soort overdekte vaarweg naar een molen, die ook bij de molen van Kolderveen aanwezig kan zijn geweest. Bij mijn weten is er echter geen tekening of nadere beschrijving van de molen in Kolderveen bewaard gebleven die hierover duidelijkheid verschaft.

 In 1832 blijkt uit de kadastergegevens dat de molen in eigendom is bij - en wordt bemalen door - Jan Gold. Hij was een zoon van veehouder Hendrik Gold, die destijds de boerderij bewoonde die aan de Kolderveense Dijk nog steeds bestaat en na een prachtige restauratie nu de museumboerderij (van Oostergetel) wordt genoemd.

Blijkbaar heeft Hendrik Koops Mulder ruim voor zijn dood in 1843 de molen verkocht, want in notarisakten van na 1820 verschijnt zijn naam altijd in combinatie met het beroep veehouder of landbouwer of simpelweg als landeigenaar, nooit als molenaar.

Jan Gold (1792-1836) was in 1816 getrouwd met Jentje Jans Rodermond (1793-1872). Hij was toen nog schipper van beroep, maar later was hij ook veehouder en landbouwer, naast molenaar. Ze kregen zes kinderen, twee zoons en vier dochters, waarvan de twee zoons jong zijn overleden. Zijn boerderij (op kavel E64, zie Fig. 2) stond niet naast de molen maar net ten zuiden van de Kolderveense Dijk aan de brug over de Oostergrift. Daar kwam volgens de schadelijst tijdens de overstroming van 1825 al zijn vee om het leven: 5 koeien, 2 pinken, een paard en een varken. Ook verloor hij bij die gelegenheid een hoeveelheid turf en aardappelen. Maar zoals hierboven al eerder vermeld bleef de molen toen waarschijnlijk fier overeind, aangezien Jan Gold geen schade aan de molen heeft gemeld.

Het gebied in de onmiddellijke omgeving van de brug over de Kolderveense Oostergrift was in die tijd het kloppend hart van het dorp. Er waren middenstanders werkzaam en er waren cafés te vinden. Aan de westkant van de grift, grenzend aan de boerderij van Jan Gold bevond zich een bakkerij. In 1825 was die in bezit van Reinder Sikkens en in 1839 van Gerrit Benthem. Aan de oostkant was de grutterij van Arend Mulder en later van Thijs van Urk. In 1839 waren in dit gebied ook een schoenmaker, een kuiper, een timmerman en een naaister werkzaam. Ook de medische stand was vertegenwoordigd in de persoon van heelmeester Johannes Brinkman Sr, die even ten westen van de Oostergrift woonachtig was (gegevens uit de volkstelling van 1839).

 Jan Gold is slechts 43 jaar oud geworden. Tijdens de volkstelling van 1839 is hij al overleden en wordt de molen bediend door de in 1814 in Assen geboren molenaarsknecht Johannes Beens, die dan inwoont bij de weduwe en “korenmolenaresse” Jentje Gold-Rodermond. Beens huurde de molen als zelfstandig molenaar in 1840 voor een periode van 6 jaren en voor een jaarbedrag van f 363, -. Na 3 jaren zou hij de huurovereenkomst echter tussentijds mogen beëindigen. Dit heeft hij vermoedelijk ook gedaan, want hij huwde in 1844 de Hoogeveense molenaarsdochter Jentje Robaard, opgegroeid onder de molen aan de van Echtenstraat in Hoogeveen, die ook in 2008 nog steeds zijn wieken laat draaien. In 1845 vertrok het echtpaar Beens van Hoogeveen naar Vollenhove, waar ze nog jarenlang een molenaarsbedrijf voerden.

Beens was in 1846 als Kolderveense molenaar opgevolgd door Jan Weggeman. In 1849 is Jacob Groeneveld de molenaar en in 1851 wordt als laatste molenaar in Kolderveen een zekere Adolf van den Bosch genoemd. Steeds bleef de molen echter in eigendom bij Jentje Gold-Rodermond.

De brand in 1852

Voor zover bekend is de molen op 28 april 1852 afgebrand en hij is daarna nooit weer herbouwd. Daarmee kwam er na minstens 200 jaar een abrupt einde aan een molen op deze plaats. Het hoe en waarom van de brand is in nevelen gehuld. De feiten die ik heb kunnen traceren zijn de volgende:

Op 1 mei 1852 verschijnt er een kort bericht onder de rubriek “Jobstijdingen” in de Meppeler Courant: “Te Kolderveen is de wind-korenmolen van de weduwe Gold tot den grond toe afgebrand. De molen was tegen brandschade verzekerd. De oorzaak is onbekend”. Hier al wordt dus al een brandschadeverzekering genoemd, die later een belangrijke rol zal gaan spelen, want de omstandigheden rond de brand bleken verdacht te zijn. De Meppeler Courant haakte daarop in en citeerde op 8 mei 1852 een eerder bericht in de Drentsche Courant van 4 mei: “Onderscheidene omstandigheden schijnen aan te duiden dat de brand, waardoor de koorn en pelmolen te Nijeveen is vernield, met opzet is aangestoken. De molen was, naar men zegt, vrij hoog gewaarborgd”. Het is mij niet bekend of dit verhaal op waarheid berust. Nadere berichten rond de afwikkeling van deze zaak heb ik ook niet kunnen vinden. De Meppeler Courant doet er in het jaar dat volgt in ieder geval het zwijgen toe. Opvallend is dat zelfs de notulen van de gemeente-raad van Nijeveen uit 1852 geen enkele melding doen van de brand (bron: J. Oosterhuis). Vreemd, want een molenbrand, en zeker een verdachte, zal toch zeker nieuwswaarde gehad hebben.

De laatst bekende taxatie van de molen, uitgevoerd in het jaar 1847 naar aanleiding van het overlijden van een van de dochters van Jan Gold, geeft dan een waarde aan van 3800 guldens. Dit lijkt inderdaad een flink bedrag voor een oude molen, ook als je het vergelijkt met de waarde van boerderij van Gold (toen getaxeerd op 815 gulden) en van 2 bunder weiland (dat toen ongeveer 1000 gulden deed).

 

De boerderij van Gold werd na een boedelscheiding in 1853, dus een jaar na de brand, verkocht. De weduwe Gold vertrok al snel na de brand met haar ongehuwd gebleven dochter Janna naar Meppel, waar ze in 1872 is overleden. Of zij de rest van haar leven ruim heeft kunnen bestaan van een vorstelijke brandschade uitkering valt te betwijfelen, want in de notulen van de Nijeveense gemeenteraad van 1862 wordt gesproken over een bijdrage van de gemeente in de kosten van de verpleging van Janna Gold in een krankzinnigengesticht.

Op het perceel E64 is later een nieuwe boerderij gebouwd, die jarenlang in eigendom is geweest bij de familie Jonker. Met de eerder genoemde molen aan de Nijeveense Grift, opgericht in hetzelfde jaar 1853, bleef er in ieder geval maalcapaciteit bestaan in de toenmalige gemeente. De vergunning voor de bouw van deze molen is waarschijnlijk pas verleend nadat de molen in Kolderveen was verdwenen en de Nijeveense molen heeft dus aan de ondergang van de Kolderveense molen zijn bestaansrecht ontleend.


K. Thomas

Nogmaals: de molen(s) van Kolderveen

 

In de laatste twee nummers van 2008 van de “Diekpraot” mocht ik een tipje van de sluier oplichten die hangt rond de molens die ooit, en dan heb ik het over meer dan 150 jaar geleden, hebben gestaan in Kolderveen, ten zuiden van de Dijk. Door het gebrek aan bronnen uit die tijd kan de geschiedenis van de molens echter maar ten dele worden achterhaald en bestaan er nogal wat onzekerheden. Eén daarvan is de onduidelijkheid die nog steeds bestaat rond de oorzaak van de brand in 1852 waarmee een einde kwam aan het bestaan van de laatste molen van Kolderveen. In dat verband had ik het in mijn verhaal over “de laatste molen van Kolderveen die lange tijd, en wellicht in verschillende versies, vanaf ongeveer 1600 tot in 1852 stond aan de Kolderveense Oostergrift”.

Begin maart 2009 werd ik gebeld door Albert de Leeuw uit Kampen, die heel in de verte nog verwant is aan de familie Mulder, die in de 18e eeuw zeker vier generaties lang molenaar is geweest in Kolderveen. Hij kwam met overtuigende aanwijzingen die doen vermoeden dat mijn aanname dat er wellicht 250 jaar een molen aan de Kolderveense Oostergrift heeft gestaan niet langer houdbaar is. Dat op die plek wel degelijk een molen heeft gestaan staat buiten kijf, maar mogelijk was het slechts gedurende een periode van ongeveer 25 jaar dat op deze plek daadwerkelijk wieken hebben gedraaid.

In 1970 zijn in militaire archieven te Vincennes, een voorstad van Parijs, oude kaarten opgedoken, die door de Drentse Historische Vereniging in 2001 zijn gebundeld en uitgebracht onder de titel “De Franse kaarten van Drenthe en de noordelijke kust, 1811-1813”. Daartussen bevindt zich een kaart die in 1811 is gemaakt door J. Tibbe (fig 1).


  Fig. 1. Detail uit de kaart van J. Tibbe uit 1811. We zien de kop van de Dijk in Kolderveen, met van links onder tot rechtsboven de Kolderveense Oostergrift en bovenaan nog een deel van de Nijeveense Grift. Rechts van de Dijk zien we één woning midden in het land. Dat was de boerderij van Hendrik Koops Mulder. Rechts (ten zuiden) daarvan is een molen ingetekend.

 

 
 Fig. 2. Uit de legenda bij de kaart van Tibbe. Een molen werd aangeduid als kruis met daaronder een rondje. Dit symbool is in Fig. 1 te zien ten zuiden van de boerderij van Mulder

 

De kaart van Tibbe laat zien dat er in 1811 een molen stond op het erf van Hendrik Koops Mulder, ter hoogte van en tegenover de boerderijen waar later Pier Bouwknegt en Barteld Koops Bakker woonden. We weten uit oude archieven (burgerwacht gegevens uit 1797) dat Mulder het beroep van molenaar heeft uitgeoefend. Echter al lang voor zijn dood in 1843 gaf hij als beroep meestal landbouwer/landeigenaar aan.

De kadasterkaart van 1832, die dus twintig jaar later is gemaakt dan die van Tibbe, toont ons een heel ander beeld van hetzelfde gebied. We zien dan wel een molen aan de Oostergrift, maar geen molen meer op het erf van Mulder op kavel E29 (zie Fig. 3)

  
 Fig 3. Detail uit de kadasterkaart van 1832 met daarop kavel E29: de boerderij van Hendrik Koops Mulder, aangeduid als “huis en erf”. Hierop staat in dat jaar geen molen (meer), maar de ronde vorm en afmetingen van het perceel suggereren wel dat hier eerder (aan de zuidzijde, op de figuur rechts van de boerderij) een molen kan hebben gestaan.

 

Met deze nieuwe gegevens hebben we nu het volgende beeld bij de molengeschiedenis van Kolderveen in de eerste helft van de 19e eeuw:

 In het jaar 1811 stond er een molen op het erf van Hendrik Koops Mulder. Op dat moment was hij zeker de vierde generatie van de familie Mulder die het beroep van molenaar in Kolderveen uitoefende. Waarschijnlijk heeft juist op deze plek meer dan 100 jaar een molen gestaan, wellicht ook in diverse versies. Die plek is juist gekozen: midden in het land, ruim 300 meter ten zuiden van de Kolderveense Dijk, die in die tijd al omzoomd zal zijn geweest door hoge bomen. Die bomen zijn op de kaart van Tibbe aangegeven als stippen; ze zullen als herkenningspunten op de militaire kaart van belang zijn geweest. Op kavel E29 zal de windvang van de molen echter vrijwel onbelemmerd zijn geweest.

Waarom destijds juist deze plaats is gekozen is niet bekend. Vermoedelijk heeft hier vroeger een zandrug gelegen (veronderstelling van J. Oosterhuis) waarop de molen is gezet waardoor hij relatief beschermd was tegen hoog water en overstromingen die in de 17e en 18e eeuw regelmatig voorkwamen. Feit is dat Albert Bouwknegt (zoon van Pier) later op deze plek (let wel, nog voor de ruilverkaveling) vaak zand weghaalde voor andere doeleinden (bron: Albert de Leeuw).

 Hendrik Koops Mulder had geen zoons die zijn molen konden overnemen. In 1811 was hij 53 jaar oud en aan zijn molenaarsbestaan kwam langzamerhand een einde. Zoals blijkt uit de kadasterkaart van 1832 stond er in dat jaar geen molen meer op zijn erf, maar stond er wel eentje aan de Kolderveense Oostergrift in eigendom bij Jan Gold.

Jan Gold is in 1816 gehuwd en had toen nog het beroep van schipper. Bij de geboorte van zijn eerste kind in 1817 geeft hij echter als beroep al molenaar aan. Dit kan betekenen dat hij toen de molen van Hendrik Mulder beheerde of er knecht was (Hendrik was in 1817 al bijna 60 jaar oud), maar het kan ook zijn dat hij in 1817 al beschikte over een eigen molen aan de Oostergrift. In dat geval zou het kunnen zijn dat de oude molen van Mulder ergens tussen 1811 en 1817 is afgebroken. Mogelijk zijn onderdelen van die molen vervolgens door Jan Gold gebruikt om een nieuwe molen te zetten aan de grift.

Helaas geven de schadelijsten van de overstromingsramp van 1825 geen nadere informatie omdat noch Mulder, noch Gold toen hebben aangegeven schade aan een molen te hebben. Vooralsnog kan het dus ook zijn dat er in 1825 helemaal geen molen was in Kolderveen omdat die van Mulder toen al was verdwenen en die van Gold nog moest worden gebouwd.

 Hoe het ook zij: de bestudering van de kaart van 1811 door Albert de Leeuw heeft gezorgd voor nieuwe inzichten in de geschiedenis rond de Kolderveense molens, die het verdienen om nog eens nauwkeurig te worden getoetst aan gegevens uit de archieven. 

 

 Kees Thomas


 

Powered by webXpress